Ann

Schrijven is mijn hobby. Ik heb altijd geschreven. Op moeilijke momenten maar ook toen het me voor de wind ging. Mijn droom is van jongs af geweest ooit eens een roman te schrijven. Dit is geen evidentie en blijft dus een verre droom. Vele andere uitdagingen heb ik wel aangegaan. Het verhaal hierna is er een van.

Ik ben Ann. Ik ben tweeënzestig jaar. Ik ben gelukkig getrouwd en heb drie volwassen kinderen. We zijn een mooi gezin en hebben een heel goede band met elkaar. Een comfortabel leven is ons deel. Dit is niet altijd zo geweest. Mijn psychische kwetsbaarheid heeft hierin een cruciale rol gespeeld.

Tien jaar geleden vond ik mijn droomjob. Als betaalde ervaringsdeskundige gebruik ik mijn persoonlijke ervaringen om psychisch kwetsbare mensen te helpen. Het is een rijke, zinvolle functie.

Wat gebeurd is, is voorbij. Ik ben een van die mensen die kan zeggen dat ze afstand heeft genomen van haar aandoening. Ook de verschrikkingen in de psychiatrie en de andere ontwrichtende gebeurtenissen in mijn leven heb ik leren relativeren. Uit sommige heb ik zelfs geleerd.

 

En als je me zou vragen of ik een geheel ander leven had willen leiden, dan zeg ik ‘neen’. Wat gebeurd is, heeft me gevormd tot wie ik ben, heeft me tot een rijker mens gemaakt, heeft me meer empathie gegeven. Mijn kwetsbaarheid en sterkte gaan hand in hand.

Ups en downs

 

De ontreddering was groot die zaterdag de vijfentwintigste april 1992. Ze vonden dat ik opgewonden was, raar deed, niet zoals anders, dat ik wanen had, hallucineerde. Ik had me al een hele week anders gevoeld. Niet meer zo depressief als tijdens de zwangerschap, minder gespannen. Integendeel, ik voelde me vrij, ontspannen, vrolijk, gelukkig, ondernemend. Ik had het gevoel alles aan te kunnen. Samen met mijn baby’tje dat twee weken eerder was geboren. Maar de psychiaters oordeelden er anders over. Ik was te veel met mijn verleden bezig, raasde erop los, zou een gevaar voor mijn baby kunnen betekenen, en voor mezelf.

 

Dat dit juist mij moest overkomen, ik die mij zo consciëntieus op de bevalling had voorbereid. Ik was altijd zo perfectionistisch, op het gespannene af. Ik had zo erg verlangd naar de baby.

 

Elke dag weer een strijd moeten voeren, tegen de demonen in mijn hoofd. Aan mijn kindertijd heb ik goede herinneringen. Ik was een vrolijk, intelligent kind en ook hoogsensitief. Ik was graag gezien in de klas en steeds de primus. De problemen begonnen in mijn puberteit. Ik zat niet goed in mijn vel en de sfeer thuis was niet altijd ideaal. Stilaan begon ik me meer en meer down te voelen. Studeren ging niet meer vanzelf en mijn perfectionisme eiste dat ik elke dag urenlang aan mijn boeken gekluisterd zat. Zonder het zelf te weten, maakte ik enkele depressies door. Ik dacht dat dit het leven was. Altijd opnieuw een strijd moeten voeren, tegen de demonen in mijn hoofd. Ik ging studeren aan de universiteit, waar ik mijn man Patrick leerde kennen. We beleefden er een leuke tijd, hoewel ook niet vrij van spanning en stress. Studeren was immers een zware opgave voor mij. Langzamerhand slaagde ik  erin een eigen leven op te bouwen, samen met Patrick. Het waren moeilijke jaren. We waren vaak werkloos en gingen gebukt onder financiële problemen. Uiteindelijk vond ik een vaste baan in een verzekeringsmaatschappij. Mijn motivatie: het loon op het einde van de maand. De functie had niets te maken met mijn diploma en was bovendien bijzonder stresserend. Reeds op mijn zesentwintigste begon ik allerlei psychosomatische symptomen te vertonen en ik besloot het halftijds te proberen. De inhoud van de job bleef uiteraard leeg, en ondanks het halftijdse werkregime werd ik nog steeds gekweld door psychische en fysieke klachten.

 

En toen kwam de baby: voor het eerst sinds mijn twaalfde voelde ik me als herboren…

 

Ik ontwaakte in een vreemde omgeving. Alles was wit. Vreemde geluiden drongen tot me door. Naast me op een kastje stond een apparaat. Lichtjes flikkerden en er was een soort onderbroken gezoem. Verder weg was een lavabo. Ik lag op een bed, toegedekt met een laken, kraakwit. Ik ademde loodzwaar. Ik kon geen lucht krijgen. Toen ik boven me keek, ontwaarde ik een buisje. Het was waarschijnlijk aan mijn neus bevestigd. Vandaar de ademnood. Ik wou het eraf trekken. Vergeefs probeerde ik mijn armen te bewegen. Een lichte paniek overviel me. Mijn handen waren aan het bed vastgebonden! Dit moest een droom zijn. Koelbloedig blijven en de riemen losmaken. Het waren een soort katoenen stroken, als van gescheurde lakens. Ik rukte. Het deed pijn. De stroken sneden in mijn polsen. Langzamerhand voelde ik hun greep lossen. Moeizaam wrong ik er mijn handen tussendoor. Ik voelde aan mijn neus. Het buisje leek vastgehecht met een pleister. Ik trok het hele geval los en kon weer vrij ademen. Iets belette me mijn rechterarm vlot te bewegen. Mijn pols bleek verbonden met een baxter?! Zonder na te denken trok ik de naald vanonder mijn huid. Het deed even pijn en een druppel bloed sijpelde uit het wondje. Een alarm ging heftig tekeer. Toen ik ook nog mijn voeten van de riemen had verlost, kon ik rechtstaan. Even duizelde ik. Mijn hoofd leek beneveld. Ik opende de deur en liep de gang in. Links van me bevond zich een open ruimte. Er stond een rij bedden, gescheiden door tussenschotten. Er lagen mensen in, die vreemde kreten slaakten. In een glazen hokje zat... een verpleegster. Ik was in het ziekenhuis?!?

 

Zes tegen een was niet eerlijk. Ze droegen me een benauwd hok binnen. Zes onbekende grijnzende gezichten hielden me in bedwang. Ik spartelde tegen. Uiteindelijk staakte ik mijn verzet. Zes tegen een was niet eerlijk. ‘De afspraak was dat je je medicatie neemt, Ann.’ IJzig keek de vrouw me aan. Ik schatte ze enkele jaren jonger dan mezelf. Ik staarde haar stomverbaasd aan, met open mond. Ik barstte in lachen uit. ‘Wat, in ’s hemelsnaam, voeren jullie uit met mij? Jullie spelen een spel, ik weet het wel. Maar hou daarmee nu op en laat me naar huis gaan.’ ‘Kom Ann, wees nu redelijk en laat ons ons werk doen. Als je niet meewerkt, wordt het een spuit.’

Hun greep verstrakte en ik voelde een prik in mijn bil. ‘Onnozelaars,’ riep ik, ‘stop deze onzin.’ Ze luisterden niet en verwijderden zich een voor een. De sleutel draaide om in het slot. Ik was opgesloten. Ik bonsde op de deur om naar buiten te kunnen… Ik riep, maar niemand kwam… Waarom hield deze dwaze droom niet op?

 

Nog steeds had niemand me ook maar enige toelichting gegeven op wat er zich afspeelde. Ze hadden mijn baby’tje afgepakt, de borstvoeding was abrupt afgebroken, ik belandde te pas en te onpas in de isoleercel. Waarom gebeurde dit? Niemand legde me iets uit, alsof ik een monster was dat gemeden moest worden. Ik vroeg waarom ik geen pilletje kreeg voor mijn pijnlijke borsten. Dat kan niet, zegden ze, omdat je medicatie krijgt. Medicatie? Waarom? Ik begreep er niets van. Ik crepeerde van de pijn, kolfde mezelf af om de pijn te verminderen. Niemand had oog voor mijn pijn, mijn verdriet om de verloren baby. Wat hadden ze met hem gedaan? Ik voelde me zo alleen en aan mijn lot overgelaten.

 

Men begon er ernstig over te denken om Bram bij me te brengen, want ik was hier de eerste dagen nog niet buiten. Maar dan moest ik eerst evenwichtiger worden. Machteloos luisterde ik naar mijn vonnis. Ik bleef gevangen. De termijn werd niet uitgesproken. Eén lichtpunt: Bram. Ik mocht, zij het dan in een vreemd en vijandig milieu, terug moeder worden.

 

Hier was iets aan het gebeuren dat mijn verstand te boven ging. Er was een stempel op me geplakt dat heel de behandeling in gang had gezet. Hiervan werd niet meer afgeweken. Wat ik ook zei, hoezeer ik mezelf ook verdedigde, niemand luisterde. In dit rigide, kafkaiaanse systeem, moest ik dringend worden uitgeroeid. Het proces was aangevat, er was geen ontkomen meer aan. Al balde ik nu al mijn krachten samen om me tegen dit mensenetende monster te verzetten, dan nog zou ik moeten buigen. Beter was te berusten...

 

Ik moest gehoorzamen aan het systeem dat me in zijn wurggreep hield. Met open mond staarde ik hen na. Voor wie of wat namen ze me wel? Voor een kleuter? Of erger, voor iemand met een intellectueel niveau dat aan de debiliteit grenst? Als dit geen bloedige ernst was zou ik er liever om lachen. Het leek wel of ik nog steeds in een irreële wereld vertoefde, een droom waaraan geen eind kwam. Even twijfelde ik of hier toch geen komedie werd opgevoerd. Alleszins had deze situatie iets komisch. Maar ik had mijn mond gehouden, hen niet spottend aangekeken en mijn gal op hen uitgespuwd. Iets zei me dat hier niet te spotten viel, dat ik moest gehoorzamen aan het systeem dat me in zijn wurggreep hield. Ze konden Bram immers als gijzelaar gebruiken. Bij de minste weerstand van mijn kant zouden ze hem mij terug afpakken. Na enkele minuten kwam ik terug tot mezelf en ging naar Bram in het wiegje kijken. Lieve, lieve baby. Dachten ze dan werkelijk dat ik niet weet hoe ik jou moet verzorgen? Ik, die het de vorige twee weken nog wel zo perfect met jou had gedaan. Ze behandelden me alsof ik nog nooit een baby in mijn armen had gehad. ‘Altijd je handen wassen voordat je met de baby omgaat, Ann’, ‘Elke dag een badje en verse kleedjes’, ‘Steeds het flesje uitspoelen na het voeden’, ‘Controleer vaak of hij geen vuile luier heeft’, ‘Knuffel hem ook eens af en toe...’ Huilend gooide ik me op het bed. Ik snikte hartverscheurend, zonder tranen. Alles werd zwart voor mijn ogen. Ik voelde me leeg, uitgeteld. Ik gleed weg, in een roes.

 

Stilaan werd ik rustiger, neen, na een week was ik zelfs verworden tot een zombie met al die druppels Haldol. Langzamerhand begon het me te dagen dat er toch wel iets moest zijn, want ze namen het allemaal heel ernstig met me. Ook Patrick, mijn man, zei dat ik braaf mijn medicatie moest slikken en dat ik dan naar huis zou mogen. Psychose, luidde het verdict, en het zou weleens kunnen dat ik daar drie à vier maanden zou moeten blijven. Ik voelde me daar echter absoluut niet thuis en ik smeekte om naar huis te mogen. Thuis kon ik me nuttig maken, in die instelling zat ik mijn tijd maar te verdoen. Hoewel ik nog labiel was, lieten ze me na twee weken gaan. Ik was vrij en wou met de psychiatrie niets meer te maken hebben. De Haldol gooide ik tussen de struiken. Ik geloofde niet in de diagnose en zou het zelf wel redden.

 

Twee jaar later voelde ik me erg depressief en gespannen en er volgde een periode van bezoeken aan een psychiater waar ik me heel goed bij voelde. Intussen was mijn tweede kindje al geboren en het leven was druk. Werken in de verzekeringen, twee kinderen. Het was zwaar. Leven was voor mij een opgave, net als het altijd al was geweest. Want de euforie van de periode na Brams geboorte was al lang geleden weggeëbd en had plaats gemaakt voor mijn gestresseerde levensstijl. Ik had wel uit die vreemde periode geleerd dat het leven mooi kon zijn en dat mijn leven vooral in mijn eigen handen lag.

 

Ik, die dacht dat psychiaters er waren om naar je problemen te luisteren. Nog eens drie jaar later werd mijn derde kindje geboren. Het ging niet zo goed met me. Ik had heel veel stemmingswisselingen. Soms was ik euforisch, dan weer zwaar depressief. Heel veel zaken uit het verleden kwamen boven en soms wist ik geen blijf meer met mezelf. Opnieuw bezocht ik een psychiater. Ik vertelde hem dat er achter mijn gespannen harnas een heel gevoelig persoon schuilde. Dat dat de reden was van mijn zware spanningen en depressies. De psychiater ging hierin mee. Hij geloofde dat ik het meervoudig persoonlijkheidssyndroom had. Bedoeling was om die gevoelige persoon terug vrij te maken en zo voor altijd dat pijnlijke harnas te kunnen afwerpen. Maar alles ging fout, in september 1998. Na een verhaal van mijn dochtertje Iris, die toen vier was – een verhaal van misbruik – flipte ik. Ik waande me Jezus en begon in allerlei mensen duivels te zien. Ik was bang dat mijn jongste dochtertje Laïs door de duivel bezeten was en ging haar letterlijk dopen in de kerk. Ik zag overal seksuele netwerken en in paniek vluchtte ik met mijn kinderen naar UZ Gasthuisberg waar ze de ernst van mijn toestand meteen inzagen. Angstpsychose. Ik werd opgenomen. Van duivels was uiteraard geen sprake en dat realiseerde ik me al de dag nadien. De opname duurde dan ook maar enkele dagen: weerom na heftig gesmeek van mij. Ik wou bij mijn drie kinderen zijn. Ze hadden me nodig. Het duurde echter maanden eer ik terug stabiel was. De psychiater verbood me nog over mijn problemen te praten want dat zou me terug psychotisch maken, zei hij. Ik, die dacht dat psychiaters er waren om naar je problemen te luisteren.

 

Ik voelde me rotslecht en vernederd. Mijn psychiater was niet toegankelijk en ik wou het uitschreeuwen van ellende. Zo belandde ik bij mijn huidige psychiater, professor Pascal Sienaert, bij wie ik alles kwijt kon. Hij ging rustig in op mijn hulpkreten en stilaan kwam ik in het reine met mijn zware jeugd. Na enkele gesprekken met professor Sienaert mocht ik de medicatie afbouwen. Maar ik had nog een lange weg te gaan. Wat was dat toch met die veranderende stemmingen? Het antwoord kwam er drie jaar later, in 2001. Ik werd opgewonden, had wanen, was heel zelfzeker, werd babbelziek, sliep niet meer, was altijd druk bezig. Ditmaal kreeg ik eindelijk de juiste diagnose: ik was manisch. Ik voelde dadelijk dat dit de spijker op de kop was. Alle symptomen pasten in het plaatje. Ook de vele depressies. De cirkel was rond. Zo dacht ik toch… Maar de aanvaarding was nog ver weg. Ik worstelde met mijn diagnose en voelde me plots heel onzeker, nu ik de achtergrond van mijn problemen kende. Ik zonk weg in een depressie, die ditmaal bijna een jaar duurde. Ik kon heel deze toestand niet plaatsen en dat proces zou nog jaren duren. Ik voelde me waardeloos, leeg en speelde met zelfmoordgedachten. Gelukkig waren er mijn kinderen en mijn man die me recht hielden. Ondanks deze zwartgallige gedachten vocht ik om mijn verloren gewaande waardigheid te herwinnen. Ik bracht mijn psychiater op de hoogte van mijn verlangen om een boek te schrijven, en dan nog liefst met hem. En het boek is er gekomen. Het schrijven ervan bracht psychische rust. Stilaan kon ik met mijn ziekte leven, ze aanvaarden. Mijn gevoel van eigenwaarde werd erdoor opgekrikt. En ik had het gevoel een steun te zijn voor mijn lotgenoten.

 

Urenlang stond ik er te bonzen op de muren.        

Het schrijven van het boek en de hevige emoties die ermee gepaard gingen, eisten hun tol. Daarbij kwam dat we thuis net een zware verbouwing achter de rug hadden. Het resultaat was dat mijn stressdrempel ditmaal heel zwaar werd overschreden. Ik kreeg een ernstige manische psychose. Ditmaal was ik Einstein – of zo dacht ik althans – en ik had een hele theorie ontwikkeld waarvoor ik de nobelprijs meende te zullen winnen. Uiteraard ging mijn omgeving hier niet in mee. Ik belandde in het UPC Kortenberg, waar ik me ellendiger voelde dan ooit. De eerste weken waren een zwart gat voor me. Het enige dat ik me ervan herinner en dat soms nog nazindert in mijn hoofd is de dagenlange mensonterende ervaring in de isoleercel. Urenlang stond ik er te bonzen op de muren. Ik wilde eruit! Prikkelarm noemden ze dat. Zo voelde het niet. Het was stresserend en beklemmend! Na twee weken begon ik de dingen terug helderder te zien. Ik zag de hulpverleners zelden. Therapieën of gesprekken waren er niet bij, behalve dan wekelijks een gesprek met de afdelingspsychiater die me dan telkens vertelde hoe erg ik eraan toe was en dat ik niet naar huis mocht. Gelukkig werkte mijn persoonlijke psychiater ook in het UPC Kortenberg en hij oordeelde dat ik na vijf weken naar huis mocht. De opluchting was groot. Mijn ontreddering echter ook. Ik had het gevoel dat ik van nul moest beginnen. Mijn gevoel van eigenwaarde was nihil. Ditmaal zou ik veel langer labiel blijven. Ik slikte jaren antipsychotica. Ik maakte ook weer een zware depressie door, die me twee jaar aan mijn zetel gekluisterd hield. De medicatie stond nog niet op punt en langzamerhand voelde ik me wegzakken in een diep, zwart gat. Het inferno. Vroeger kostte het me moeite het harnas af te werpen, nu zou ik er veel voor gegeven hebben om het terug aan te trekken. Het lukte me echter niet. Ik voelde me heel breekbaar. Het gevecht tegen de wereld was verstomd. Ik voelde me voortdurend somber, neerslachtig en lusteloos. Alle seizoenen waren grijs geworden. Een dag was zonder uitzicht.

 

Niets kon me nog voldoening geven, laat staan genot. Misschien bleef ik vroeger ook al tamelijk gelaten bij de gewone dingen van het leven, maar nu riepen ze bijna walging bij me op. Leven was een hel. Ik haatte de regen en het was zo koud. Liefst kroop ik weg, thuis, ver van regen en wind, hitte en kou.

 

Wegzinken onder de dekens was het enige wat ik graag deed. Ik voelde me slecht, zag er slecht uit en hield niet van mezelf. Mezelf verzorgen was een opdracht geworden. Ik waste me nog wel, omdat het moest, maar met tegenzin. Make-up en crèmes en sieraden zeiden me niets.

 

Ik sloot me op, verborg me als de bel ging en nam met tegenzin de telefoon op. Wat had ik mensen te zeggen? Niets. Wat had ik hen te bieden? Niets. Ik was oninteressant, kon geen enkel gesprek aanknopen, en als een conversatie eenmaal was begonnen, liep ze weer stuk op mijn zwijgzaamheid. Wat mensen mij te zeggen hadden, wekte mijn belangstelling niet. Zelfs de verhalen van de kinderen hoorde ik gelaten aan. Waarom wilde iedereen toch steeds zoveel zeggen? Ik had niets te zeggen. Iedereen kon de pot op. Als iedereen mij gerust liet, liet ik iedereen ook gerust.

Ik was moe, levensmoe, uitgeteld. Hoewel ik ’s nachts sliep als een ‘blok’ en met moeite uit mijn bed geraakte, voelde ik me overdag nog steeds moe. Ik sleepte me voort. Pas tegen de avond kon ik weleens iets van mijn oude energie terugvinden. Dan had ik allerlei plannen, die ’s morgens alweer in de kiem gesmoord werden. De demonen van de ochtend. Niets kon mijn interesse wekken. De omgeving had alle aantrekkingskracht verloren. Alles leek me lelijk, vies en walgelijk.

 

Vaak betreurde ik me dit genotloze bestaan. Gelukkig waren er de kinderen, en Patrick. Anders zou ik zeker zelfmoord gepleegd hebben. Ik maakte me niet moe in het fantaseren over hoe ik het zou kunnen doen. Eens te meer aanvaardde ik gelaten mijn lot. Waarom zou ik een methode bedenken om me van het leven te beroven? Mijn gezin had me nodig, zij het dan alleen al als praktische huishoudelijke kracht. Een hoog gevoel had ik niet op van mijn rol. Ik voelde me minderwaardig, besefte zelf heel goed dat ik niets meer aankon. Het was de zwaarste en langste depressie die ik tot dan toe doormaakte. Gelukkig kende ik er deze keer de oorzaak van en daardoor aanvaardde ik ze.

 

Ik had het gevoel dat alle weerstand loste. Ik wou mijn ellende uitschreeuwen aan anderen, maar ik kon het aan niemand kwijt. Het zwarte gat was zo diep. Er waren zo weinig mensen die mijn leed konden begrijpen. Depressief zijn is allesverterend. Ik voelde me totaal leeg. Alle energie was uit mijn lichaam verdwenen. Nergens had ik nog een reserve. Alle veerkracht leek weg. Ik kon niet meer. Voor de minste inspanning moest ik boeten. En dan die nooit aflatende moeheid. Zelfs mijn kinderen hadden veel minder slaap nodig. Soms wilde ik mijn strijd opgeven, een strijd die er bijna geen meer was. Ik had het gevoel dat alle weerstand loste. Maar bij wie kon ik terecht, met mijn verdriet? Ik voelde me zo alleen. Wie had er boodschap aan mijn lijden?

 

Uiteindelijk, na die depressie, werd ik langzamerhand weer de oude, voor zover. Mijn man was me al die jaren blijven steunen. Aan hem heb ik ontzettend veel te danken. De kinderen hadden weinig van mijn depressie gemerkt. Ondanks alles had ik me sterk gehouden voor hen.

 

Beetje bij beetje kwam de kentering. Toen ik tenslotte – na een beetje geëxperimenteer met mijn pillen - in 2005 de juiste medicatiecocktail vond, opende zich een nieuw leven voor mij. Na al die jaren was ik eindelijk stabiel. Ik had mijn aandoening volledig aanvaard en slaagde erin ze te relativeren. Ik wist dat ik psychisch kwetsbaar bleef, en bepaalde restsymptomen bleven hinderlijk, zoals bijvoorbeeld het gebrek aan concentratievermogen en de vergeetachtigheid. Maar dit woog niet op tegen het geluk dat ik ervaarde. Manieën en depressies bleven uit. Als ik al eens dreigde hypomaan te worden, herkende ik de symptomen meteen, en kon ze met de juiste medicatie onderdrukken. De woelige jaren maakten plaats voor innerlijke rust. Mijn oude harnas kon ik voorgoed afwerpen. Aangezien mijn gevoelens hun vroegere turbulentie hadden verloren, had ik dit beschermingsmechanisme niet langer nodig. Hier zorgde de medicatie op een milde manier voor. Er was geen sprake meer van dwangmatig handelen. Eindelijk rust.

 

De kinderen groeiden op en hadden me daardoor minder nodig. Tot dan toe had ik me nuttig gevoeld. De opvoeding van de kinderen beschouwde ik als het hoogste doel. Maar ze begonnen hun eigen weg te gaan en dit creëerde een leegte. Ik dacht na over een andere invulling. Langzamerhand vormde zich in mijn geest een concrete droom. Ik wilde eigenlijk maar één ding: werken met lotgenoten. Hen begeleiden en ondersteunen, hen bijstaan in hun weg naar een kwaliteitsvol leven. Ik wilde een rolmodel voor hen zijn. Het werd bijna een obsessie, want ik wist niet hoe ik die droom moest vormgeven. Maar ik was een doorzetter en ik zou mijn doel bereiken.

 

2009 was een mijlpaal in mijn zoektocht naar zingeving: ik kon als vrijwilliger aan de slag in het ontmoetingscentrum van een dienst voor beschut wonen. Ik voelde dat ik die mensen iets te bieden had. Ik kon hen uitstekend aanvoelen en hen helpen en bijstaan. Ze zagen in mij een voorbeeld. Ze kwamen vaak bij me te rade en apprecieerden mijn mening. En wat heel belangrijk is: mijn eigen muizenissen stonden me niet langer in de weg zodat ik ten volle kon openstaan voor hun verhaal.

 

Na enkele jaren begon ik te verlangen naar een betaalde job als begeleider in diezelfde setting. Ik voelde me er klaar voor. Maar ik had met mijn talen-diploma niet de geschikte kwalificaties. Mijn frustratie groeide. Als vrijwilliger word je niet altijd evenwaardig behandeld door de collega’s-betaalde krachten, hoewel mijn directe coördinator wel heel veel appreciatie toonde. Ik begon me stilaan meer af te zetten tegen het vrijwillig werken. Waarom is het zo voor de hand liggend dat psychisch kwetsbare mensen vrijwillig werken? Mijn zelfvertrouwen kreeg een deuk. Ik voelde me minderwaardig.

 

Langzamerhand begon het begrip herstel ingang te vinden in de geestelijke gezondheidszorg en hoorde ik de term ‘ervaringsdeskundige’ vallen. Toen ik hoorde van de opleiding tot ervaringsdeskundige aarzelde ik niet. In 2014 vatte ik de opleiding aan. Een nieuwe wereld ging voor me open. Ik werd er ingewijd in de herstelvisie, leerde er talloze tools om met mensen om te gaan, hen te begeleiden, te praten voor groepen. Het was een intens verrijkend bad dat me stilaan mijn zelfvertrouwen teruggaf. Na enkele jaren voelde ik me klaar voor een betaalde baan als ervaringsdeskundige. Dit was geen vanzelfsprekendheid: ervaringsdeskundigen waren witte raven in de geestelijke gezondheidszorg en de kans om een job te vinden was miniem.

 

Ik hou van deze baan, die me op het lijf geschreven is. Toch werd mijn droom werkelijkheid. In de zomer van 2016 werd ik geselecteerd om in een De Hulster Beschut Wonen in Leuven betaald aan de slag te gaan. Ik ben hier zo blij mee en ook trots. Ik ben in een heel fijn en dynamisch team terechtgekomen en de invulling van mijn functie mag ik grotendeels zelf bepalen. Ik hou van deze baan, die me op het lijf geschreven is. Lotgenoten helpen, hen begeleiden in hun herstel, voor hen ruimte en tijd creëren om te reflecteren over zichzelf. Het kan en mag allemaal en het draagt bij tot mijn eigen herstel.

 

Sinds zes jaar weet ik nu dat mijn mama ook een bipolaire stoornis had. Dit is heel laat. Ze bezocht al vele jaren een psychiater, maar door allerlei communicatiestoringen was ons, mijn papa en mij, die diagnose nu pas ter ore gekomen. Dit besef deed me opnieuw stilstaan bij mijn verleden en mijn bestaan als KOPP-kind. Intussen heb ik dit kunnen plaatsen. Het is voorbij. Mijn mama heeft de respectabele leeftijd van 90 jaar bereikt. Deze zomer is ze gestorven. Het overlijden bracht veel dubbele gevoelens bij me teweeg. Met mijn papa heb ik alles, maar dan ook alles doorgepraat. Het was en is nog steeds heel helend en deugddoend.

 

Twee maanden na haar dood werd hij getroffen door een bijzonder zware covid-infectie. Hij is door het oog van de naald gekropen. Ik ben zo blij dat hij er nog is. We hebben elkaar nog zoveel te vertellen. Dit jaar wordt hij 94 jaar.

 

Intussen kwam mijn nieuwe boek uit in april 2021,  ‘Leven met een bipolaire stoornis. Herstel met ups en downs’, een geheel herwerkte versie van het boek dat we in 2003 publiceerden. Ditmaal schreef ik het onder mijn eigen naam. Ik verberg me niet langer achter een pseudoniem. Destijds was ik bang voor het stigma, nu wil ik het taboe doorbreken en kom ik openlijk uit voor mijn psychische kwetsbaarheid.

 

En er is nog meer: samen met Marijke heb ik het boek ‘Kwetsbaar sterk’ vormgegeven, een verzameling van vijftien herstelverhalen. Het was een titanenwerk, maar zo dankbaar.

 

Er is geen einde aan dit verhaal. Het gaat eindeloos verder. Herstel stopt nooit. Maar ik kan toch wel zeggen dat ik al een heel eind verder sta in mijn herstelproces.

 

Always look on the bright side of life…