Charlie Desage

Mijn naam is Charlie. Ik heb mijn rugzakje vol met voornamelijk trauma’s toegebracht door mijn vader. ‘Vader’ zeg ik niet meer. Ik noem hem nu bij zijn voornaam. Ik heb heel wat opnames aan hem te danken maar ze hebben me wel iedere keer dichter gebracht bij wie ik echt ben: een mama, een echtgenote en een liefdevolle dochter voor mijn mama. Ik heb verschillende diagnoses gekregen. Ik heb het moeilijk gehad om ze te accepteren, maar nu horen ze bij mij en maken ze me tot wie ik ben, met mijn ups en downs. Mijn vader zie ik nu gelukkig niet meer. Het blijft echter een innerlijke strijd. Hopelijk kan ik de kwade herinneringen aan die tweeëndertig jaar snel achter mij laten en aan een nieuw hoofdstuk beginnen.

 

Het licht van de zon

Waarom moest het een meisje zijn…?’  

Het is zevenentwintig april 1986 en ik wil maar niet komen. Mijn mama zit vol ongeduld te wachten tot ik in haar armen lig. Papa is zoals altijd aan het werk. Uiteindelijk laat ik mijn hoofdje zien op twee mei. Mama is heel tevreden. Papa komt pas later aan.

De eerste weken waren heel zwaar voor mama. Ik huilde veel. Papa kon dit niet verdragen en sloot zich op in de kelder om mijn gehuil niet te moeten aanhoren en om zijn werk te kunnen doen.

De tijd ging voorbij en als driejarige kleuter was het niet altijd gemakkelijk voor mij. De herinneringen aan mijn papa zijn niet bijzonder goed. ‘Waarom moest het een meisje zijn…?’ Mama was heel gelukkig met mij.

Mijn broer J werd geboren en papa was heel blij, in de zevende hemel. Zijn geluk kon niet op: een zoon! Mama bleef mij steunen, omdat het evenwicht wat verstoord was door de papa-zoon-band die jaren zou duren.

Ik was vijf. De spanningen tussen mama en papa liepen heel hoog op. Met een klein, bang hartje vroeg mama de scheiding aan. Papa wist niet wat hem overkwam. Uiteindelijk besliste hij op de rechtbank dat mama alles mocht hebben, zolang hij maar voor zijn zoon kon blijven zorgen. De rechter besliste er echter anders over. Hij mocht contact houden met zijn zoon, in het bijzijn van zijn dochter. Zijn woorden ‘Ik zal ze er dan maar bij nemen’ beloofden niet veel goeds. Mijn broer mocht vanaf dan een op twee weekends gaan. Bij mij verliep het anders: eerst enkele uren, dan een halve dag, dan een volledige dag en uiteindelijk twee dagen met overnachting. In het begin was dat gelukkig nog in het huis van oma en opa. Maar toen ik zeven was, had papa zijn eigen appartement waar we verbleven en waar we ook in de vakantie naartoe gingen. Dit ging gepaard met vele tranen en trauma’s.

Intussen ging ik ook al een tijd naar een kinderpsycholoog. Ik had problemen met aandacht, communicatie en sociaal gedrag.

Van het eerste leerjaar in de gewone basisschool ging ik naar het BLO (Buitengewoon Lager Onderwijs), waar ik beter mijn plekje vond. De tijden in de lagere school waren heel aangenaam. Ik ging heel graag, werd er heel goed begrepen, had vele vriendjes en vriendinnetjes die ik nu soms nog zie.

 

Bij papa was het een hel.

Papa verhuisde van Brussel naar Charleroi. Hier kreeg ik een eigen slaapkamer, waardoor mijn broer moest passeren om op zijn kamer op zolder te raken. Bij mama thuis voelde ik me goed, bij papa was het een hel. Tranen aan de voordeur, getrek en gesleur in de auto. Dit heeft zo jaren geduurd. De slaapkamer bij papa was geen normale kinderkamer: er was geen speelgoed, geen mooie posters, enkel een bed, een strijkplank, een computer, een kast met lelijke jongensachtige kleren die vaak te groot of te klein waren. De muren hingen vol met volwassen posters en zelfgemaakte teksten. Een daarvan hing hij op toen ik een jaar of zestien was: ‘Charlie, als je meer je best doet en je je meer volwassen gedraagt in je leven, dan pas zal je verder geraken dan waar je nu bent’. In plaats van zakgeld kreeg ik jarenlang de Joepie. Hij kocht die zelf, knipte er de niet gepaste stukken uit en gaf me soms opdrachtjes. Zo moest ik eens een collage van jongens maken. Hij keurde eerst of ik ze mocht plakken. Ik knipte ze grof uit en hij knipte ze dan verder mooi uit, want volgens hem ‘kon ik dat toch niet’. Een andere keer stelde hij me voor om met een meisje te corresponderen. Hij wou dan eerst wel mijn tekst lezen. Met een rode stift haalde hij er alle schrijffouten uit en schrapte wat er niet in mocht en zei me wat ik wel moest zeggen over vakanties en hobby’s en andere dingen, ook al was dit niet waar. Uiteindelijk heb ik dat meisje later kunnen ontmoeten zonder dat hij dit wist, en heb ik haar de waarheid kunnen vertellen.

Ik was dertien en mocht naar het secundair onderwijs. Na een grote test die ik toen ook niet goed begreep, besliste het CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding) dat ik naar het BSO (Beroepssecundair Onderwijs) moest. Ik zag er erg tegenop. Ik wou bij mijn klasgenootjes zijn en zou in de nieuwe school niemand kennen. Ik startte in een klas van ongeveer twaalf leerlingen, dubbel zoveel als in de lagere school. Het was zo anders. Ik werd er niet begrepen. Zowel de leerlingen als de leerkrachten hadden problemen om met mij om te gaan. Ik werd weer heel stil. Daar werd al snel misbruik van gemaakt door medeleerlingen die ik niet begreep. Er kwamen pesterijen van: kauwgom in mijn haar, me opsluiten in de WC, me niet laten opstappen op de bus, stoten, blauwe plekken. Tijdens sport werd ik aangevallen door de ballen. Mijn lessenaar lag vol met papieren propjes, die ik van de leraar dan helemaal alleen moest opruimen. Sommige leraars zagen de pesterijen en namen me gelukkig wel onder hun hoede. Op bescheiden manier steunden ze me door me tijdens de pauzes in de klas te laten blijven en me wat extra oefeningen te geven om de leerstof beter te begrijpen. Na de herfstvakantie kwam M, een meisje uit een andere richting, naar me toe. Ze had medelijden met me en nam me op in haar vriendengroepje. Ze werd toen ook wat uitgesloten door enkele medeleerlingen die niet met mij konden omgaan. Dat maakte haar echter niet veel uit. Ze nam het vaak voor me op. Het eerste jaar eindigde en ik was blij dat ik erdoor was, ondanks mijn lage punten.

In het tweede jaar verliep alles zoals voorheen. Ditmaal waren we met eenentwintig in de klas en ik voelde me erg alleen in die grote groep. Tijdens sport of met groepsopdrachten stond ik er alleen voor. Op die manier kon ik soms ook wel mijn eigen ding doen en moesten anderen zich ook niet schamen voor mij of ergeren aan mij. Na de Paasvakantie kwam M met slecht nieuws: ze zou naar een andere school gaan. O nee, hoe zou ik dit overleven? Juist op dat moment werd ik ook nog bedreigd door een leerling die zei dat hij de revolver van zijn vader zou meebrengen, omdat ik hem iets zag doen dat niet mocht. Het afscheid van M was heel zwaar. Ik zag het helemaal niet meer zitten en mama begreep het ook niet echt. Ik vertelde haar immers niet alles, omdat ik mij schaamde. Ik wou niet meer leren voor de eindexamens van het tweede jaar. Ik vermoedde uiteraard wel wat de gevolgen zouden zijn maar dat kon me niet schelen. Bij de rapportbespreking zei de klastitularis dat ik een C-attest had. In mijn binnenste maakte ik een vreugdesprongetje maar ik liet dat niet merken. Mama was teleurgesteld maar niet kwaad. Er werd besproken wat de opties waren: blijven zitten of verdergaan in een lager niveau. Ik mocht zelf kiezen. Ik koos voor het derde jaar in… het BuSO (Buitengewoon Secundair Onderwijs). Eindelijk weer thuiskomen, weer lachen en plezier beleven, graag naar school gaan en alles weer positief zien. Op school ging het terug goed.

 

Waar ik voor vreesde werd realiteit.

Thuis bij papa echter liep het helemaal mis. Toen ik zestien was en op vakantie was bij mijn papa, gebeurde er iets heel ingrijpends. Ik draag het nu nog altijd mee en ondervind er nog steeds veel hinder van. Het was al een hele tijd prachtig zonnig weer en papa had de tent van de buren overgekocht, een mooie tent met drie compartimenten. Je kon er met zes personen in slapen. J, mijn broer, wou met een buurjongetje van dezelfde leeftijd in de tent slapen ’s avonds. J wou absoluut dat ik dan ook in de tent zou slapen. Ik was hier heel blij mee en papa vond het ook goed, op voorwaarde dat N, de grote buurjongen van twintig, een oogje in het zeil zou houden. Ik had het niet voor hem. Hij deed ook geen moeite om Nederlands te spreken met ons terwijl zijn broer dat wel deed. Na een kampvuurtje gingen we slapen, elk in zijn compartimentje. Rond middernacht gebeurde het. De jongens waren goed aan het snurken, behalve… N. Hij kwam mijn tent binnen en ik mocht geen kik geven. Waar ik voor vreesde werd realiteit. Ik huilde, maar hij hield zijn hand voor mijn mond. Ik wou me verzetten, maar hij hield me tegen. Ik kon niet tegen hem op en onderdrukte mijn gevoelens. Het duurde eindeloos, of zo leek het toch. En dan was het gedaan. Hij zei dat ik er met geen woord over mocht reppen, want dat hij anders mijn broer iets zou aandoen. Trouwens, niemand zou me geloven en zeker niet papa. Ik wou het vertellen op school, maar ik durfde het niet. Ik vond een manier om dit alles te vergeten en zou dit nog jaren volhouden. Zelfs toen N dronken achter het stuur zat en een dodelijk ongeval kreeg. Dat was het ideale moment geweest om het te zeggen, maar omdat het al zolang geleden was gebeurd, bleef ik het verdringen. Pas jaren later, net vóór mijn eerste opname, sprak ik erover met een cliënt bij wie ik aan het werk was in de thuiszorg. Toen is de bal aan het rollen gegaan. Eindelijk heb ik het toen kunnen vertellen, zelfs aan papa. Die was gechoqueerd. Dit had ik nooit verwacht, misschien een van de kleine dingen die ik nooit had verwacht van mijn vader.

Ik was eenentwintig jaar. Ik studeerde af op school als logistiek assistent en begon halftijds te werken op mijn stageplek. Ik kon méér dan wat er in mijn takenpakket beschreven stond en ze stuurden mij naar een opleiding voor zorgkundige. Ik voelde me heel vereerd. Na tweeëneenhalf jaar rondde ik af. Wel met een zware stempel omdat ik niet naar voor werd geroepen bij de diploma-uitreiking. Ik had immers geen algemene vakken op school gehad. Het deed me terugdenken aan de woorden van mijn papa die me een BuSO-geval noemde en die zei dat ik op een mongolenschool zat. In het rusthuis waar ik werkte, had ik het soms zwaar. Als er iemand stierf, kon ik hier niet mee om. De collega’s waren hierin heel streng. Maar ze vergaten dat ik altijd klaarstond om te ruilen met de bewoners die extra aandacht nodig hadden. Vele collega’s wisselden mensen als ze er bijvoorbeeld geen klik mee hadden of als het ‘moeilijke’ mensen waren. Ikzelf vroeg nooit om te wisselen. Of het nu iemand was met een zacht en vriendelijk karakter of iemand met dementie, die moeilijk te benaderen was, dit alles maakte voor mij niet uit. Collega’s vroegen vaak aan mij om te wisselen. Ik deed dat en die mensen hadden me dan graag en respecteerden mij omdat ik met zoveel geduld met hen omging. Hier konden de collega’s dan niet mee om.

Ik kreeg een relatie met T. We zaten op dezelfde golflengte en het was bij allebei de eerste relatie. Het heeft helaas niet lang geduurd. Ik woonde in Brussel, hij in Hasselt. Mijn opa is toen op een heel onverwachte manier gestorven in een restaurant. We vierden het verjaardagsfeestje voor mijn oma. Hij heeft zich verslikt in het eten en is overleden. Er waren veel familieleden bij en dat was misschien wat hij wou: hij wou nooit alleen sterven. Het maakte me heel triestig en hier kon T moeilijk mee om.

Ik was vierentwintig en had een tweede relatie met J. Deze relatie was allesbehalve normaal. Ik was verliefd geworden op een jongen met een toen voor mij mooie uitstraling. Als ik hem nu zie snap ik nog steeds niet dat ik voor hem gevallen ben. In het begin verliep alles redelijk gewoon maar na twee maanden wou hij al met mij gaan samenwonen. Ik voelde me hier heel onwennig bij. Hij deed nooit iets in het huishouden, hoe zou hij dan zelfstandig met mij kunnen wonen? En bovendien vertoonde hij vreemd gedrag: we woonden toen een eindje van elkaar af en soms kwam hij nog heel laat ’s avonds naar me toe, omdat hij zin had. Als ik dan weigerde vertrok hij weer. Vele mensen zegden me dat hij niet goed was voor mij en dat ik de relatie beter kon beëindigen. Maar ik durfde dit niet omdat hij soms agressief was tegen mij en anderen. Toen nam ik de moed bijeen en belde zijn mama met wie ik een heel nauwe band had. Uiteindelijk is het allemaal anders verlopen en heeft hij me gebeld om te vragen of ik het uit zou maken. Achteraf voelde ik me opgelucht en vrij.

 

We bouwden een hechte vriendschap op.

Enkele maanden later leerde ik K kennen. Hij had ook een breuk gehad met de vriendin met wie hij samenwoonde. We bouwden een hechte vriendschap op. Dagelijks babbelden we over vroeger en nu, over de dingen die we meegemaakt hadden en kregen veel vertrouwen in elkaar. We gingen vaak samen weg, maar het bleef bij een vriendschappelijke relatie omdat we een pauze wilden nemen. Onze vrienden vroegen ons vaak wanneer we een koppel werden. We kenden elkaar al enkele maanden toen hij meekwam naar een activiteit van de KAJ, een jeugdbeweging waar ik al van mijn achttiende in zat en waar ik ook vrienden voor het leven heb gekregen. Hij was er nieuw maar had er wel kennissen. Ook zijn broer zat in de KAJ maar je kon niet zien dat ze familie waren. Op zestien februari 2012 kwam K bij mij naar een film kijken. Vanaf dan waren we een koppel. We waren blij dat we onze gevoelens voor elkaar geuit hadden. Ik was zo verliefd geworden op de persoon die hij is, zijn karakter, zijn persoonlijkheid, zijn volwassenheid. Mama was blij, ze zag dat K een goede jongen was voor mij. Maanden gingen voorbij. Ik bleef meer bij hem slapen in de weekends dan bij mama thuis en zo kwam de vraag of ik niet kon intrekken bij hem. Ik was ook al ouder en wijzer. En zo gebeurde het dat ik enkele maanden later bij hem ben ingetrokken. Ik veranderde van werk van het rusthuis naar de thuiszorg, van hotel mama naar samenwonen. Samen met K het huishouden runnen. Het was een hele stap en een aanpassing voor mij. Soms kreeg ik het emotioneel moeilijk, niet door K maar door al de veranderingen.

Intussen was het mei 2013. Ik woonde al enkele maanden bij K en alles ging goed. Op een keer gingen we op uitstap en op het einde van de dag vroeg hij mij ten huwelijk. Ik zei uiteraard ‘ja’. Ik zag me oud worden met hem. De ruzies die we hadden waren steeds zeer snel uitgepraat en we konden heel goed communiceren met elkaar. Vele vrienden reageerden er positief op. Behalve C, mijn dooppeter, en T, de jongste dochter van C. We noemen hen zo in de familie en ik benoem hen liever zo dan hun echte naam te noemen. Er is een heel verhaal aan hen verbonden waaraan ook trauma’s vasthangen. Van kinds af had ik een heel leuke en nauwe band met T. We deden heel veel samen. Ze was vaak jaloers omdat ik een heel sociaal iemand ben en veel contacten had in de KAJ als ik al wat ouder was. Na het nieuws dat K en ik gingen trouwen werd onze relatie heel anders. Ze wilde K niet accepteren en vergeleek mij met haar oudste zus die afgestoten was door hun gezin. Ik heb haar zus nooit echt gekend want er was ook een groot leeftijdsverschil. Later werd T’s zus een heel belangrijke persoon in mijn leven. Haar vader C was vaak met vele mensen in ruzie. Toen ik wat ouder was, vertelde mijn mama wat ze had meegemaakt met hem. Ik was gechoqueerd. Er kwam een gerechtelijk onderzoek waar ook de zus van T en andere familieleden in moesten getuigen. Ik gaf me ook op als getuige maar werd nooit gecontacteerd door de politie. Het proces ging over incest, praktijken die ook onder de gordel gingen. Bij mij gelukkig niet, maar er waren wel andere traumatische dingen gebeurd. Dit is voor mij een pijnlijk onderwerp. Eerst N en nu hij. Het gebeurde op bepaalde momenten in mijn leven. Vanaf mijn twaalfde en ook nog eens recent toen ze eens op bezoek waren vóór K en ik gingen trouwen. Altijd handtastelijk en provocerend.

K en ik trouwden op negentien juli 2014. Het was een heel fijne, aangename dag, met veel vrienden en familie om ons heen. We hebben er ons eigen feest van gemaakt. We gingen naar een gynaecoloog om te praten over zwangerschap. Ik had een cyste in mijn baarmoeder en moest eerst geopereerd worden. Weeral… want dit was niet de eerste keer. Nadien kregen we groen licht en enkele maanden later was ik zwanger. Het kindje was bestemd voor maart 2016. Mijn beste vriendin en getuige C was gelijktijdig zwanger. Het was een heerlijke tijd: samen winkelen, samen sporten…

 

Maar het noodlot sloeg bij mij toe.

Bij de controle van vier maanden werd er geen hartslag gemeten en de foetus was veel te klein. Ik had geen spontane miskraam en ze moesten een curettage uitvoeren. Dit was een heel ingrijpende gebeurtenis. Daarna ben ik in een neerwaartse spiraal terechtgekomen. Ik ging niet meer graag werken, wou niets meer doen en kwam mijn bed niet meer uit. Niets interesseerde me nog en ik kreeg zwarte gedachten en stemmen. Het ging van kwaad naar erger. Ik biechtte op aan mijn man dat ik een poging had gedaan met medicatie terwijl hij niets vermoedde. Kort nadien hadden we een gesprek met de huisarts en die zei me dat ik naar Gasthuisberg moest gaan. De psychiater daar stuurde me door naar het UPC (Universitair Psychiatrisch Centrum) in Kortenberg, naar de afdeling St. Anna. Dit was heel vreemd en onrealistisch. Na zes weken was ik terug stabiel. Na verschillende tests leef ik nu verder met de diagnose Borderline of BPS. Ik kreeg een speciale therapie voorgeschreven in het UPC. Het was dagtherapie, die werd opgebouwd in dagen en weer afgebouwd in uren. Op De Weg kreeg ik Dialectische Gedragstherapie (DGT). Dit heeft me enorm geholpen. Ik werkte op De Weg met een individuele therapeut.

 

Ik kon niet beseffen dat dit wondermooie kind effectief uit mij kwam.

Intussen raakte ik opnieuw zwanger. De zwangerschap was gewenst, maar ik had het zo snel niet verwacht. Mijn man, mijn mama en de huisarts stonden heel erg achter mij en zagen dat dit goed was voor mij. Ik kreeg wel veel vragen van familieleden en vrienden. Ook de psychiater was er niet gerust in en gaf mij een brochure over postnatale depressie met allerlei adressen waar ik terecht kon. Ik had moeite om hiermee om te gaan. Ondertussen volgde ik gedurende heel de zwangerschap de ambulante DGT-therapie. Toen ik tweeëndertig weken ver was, verloor ik bij het uitdoen van mijn broek mijn evenwicht en viel op mijn zij. Ik voelde pijn in mijn voet en ging naar Gasthuisberg. Bij de controle merkte men iets ernstigs op. De baby had een inwendige bloeding en mijn lichaam wou de baby afstoten. Voor de zekerheid moest ik daar blijven om het risico op vroeggeboorte op te vangen. Na tien dagen was ik stabiel en mocht ik met de nodige opvolging naar huis. Op achtendertig weken vond de gynaecoloog de baby groot genoeg en werden de stappen genomen om de keizersnede voor te bereiden. Dit was nodig omdat ik al van bij het begin van de zwangerschap problemen had met bekkeninstabiliteit. Op drie november 2016 werd ons zoontje A geboren. Ik kon niet beseffen dat dit wondermooie kind effectief uit mij kwam. Na vijf dagen ziekenhuis mochten we allemaal in goede gezondheid naar huis. Ik zag het allemaal goed zitten hoewel in de eerste nacht veel traantjes gevloeid waren door het gehuil van ons zoontje, ons mini-koninkje. De eerste maanden verliepen vlekkeloos. Het ouderschap ging me toch beter af dan ik gedacht had. Toen ons kindje startte in de kribbe in april viel ik stilletjes weer in een dipje, omdat ik niets te doen had thuis en steeds op die vier muren zat te kijken. Ik raakte meer en meer gefrustreerd. In december stierf een aangetrouwde nonkel, wat me bijzonder zwaar viel. Ik ging terug naar het UPC in Kortenberg, nu op de afdeling St. Lodewijk, voor twee weken therapie. Daarna verbleef ik er ook nog twee weken ambulant om dit gemakkelijker af te bouwen. We bekeken er samen wat ik zou doen als ik terug thuis zou zijn. Er werd over Sonar gesproken, een revalidatiecentrum in Leuven. Als je bij hen wil starten is het de bedoeling dat je iets terug doet voor de maatschappij zoals vrijwilligerswerk, een opleiding, een stage of sollicitaties. Zij werken met therapeuten en jobcoaches. Je gaat hier enkele keren per week een halve dag naartoe. Er zijn ook sport- en vrijetijdsmodules. Na een intake startte ik daar in februari. Het was heel effectief en het hielp me enorm.

 

In korte tijd gebeurde er van alles in die periode.

Mijn oma, die ook mijn meter was, stierf tijdens een nieroperatie. Een vriendin stapte uit het leven na meerdere pogingen. Ik kende haar al lang. Maar nog iets ingrijpends was het feit dat ik op vakantie ging samen met mijn vader, terwijl ik daar geen zin in had. We gingen naar Zuid-Frankrijk. Dit was een hel. Het was een nachtmerrie die uitkwam. Hij maakte me belachelijk, dreigde en stelde extreem gedrag. Toen deed ik voor de eerste keer in mijn leven mijn mond open en zei dat ik geen vijfjarige was die toestemming moest vragen om samen met mijn man een Twix te eten. Hierop is hij als een ‘zot’ over een grote baan met vier rijstroken gerend. We hebben geroepen en staan wachten tot hij terug zou keren maar hij was verdwenen. We besloten dan maar naar het restaurant te gaan waar we een uur later gereserveerd hadden, in de hoop dat hij daar naartoe zou komen. Hij kwam echter niet. Uiteindelijk vonden we hem in onze studio waar hij zich opgesloten had. Na veel moeite raakten we binnen. Mijn man raadde me aan even in de badkamer te wachten. Mijn vader had het interieur vernield en lag dronken in zijn eigen braaksel op het speeltapijt van onze zoon. Hij was aan het roepen dat hij dood wilde en dat niemand hem graag zag. We hadden eigenlijk de hulpdiensten kunnen bellen maar dachten hier niet aan. We dachten vooral aan onze eigen veiligheid en die van onze zoon. We wilden naar huis gaan, maar hij wou niet mee. We zijn toen zonder hem vertrokken. Ik had een heel speciaal en aangenaam gevoel omdat ik eindelijk opkwam voor mezelf. Eenmaal thuis voelde ik me als in een waas. Ik wist niet goed wat er allemaal gebeurd was. Ik ging weer terug naar Sonar en dan is het op korte tijd helemaal geëscaleerd. Ze stuurden me naar Gasthuisberg omdat ik domme dingen zou doen. Want ik voelde me enorm schuldig omdat ik mijn papa iets ernstigs had aangedaan. Eigenlijk had ik me niet zo moeten voelen. Ik werd weer naar het UPC gestuurd voor een korte crisisopname in St. Lodewijk. Het ging van kwaad naar erger. Ik begon mezelf pijn te doen en stiekem dingen te doen die verboden waren, zoals alcohol drinken. De verpleging zag de ernst er niet van in en na twee weken wilden ze mij in dagtherapie laten gaan. Uiteindelijk deed ik een zelfmoordpoging. Ik had alles grondig uitgekiend. Gelukkig werd ik op tijd gevonden en met de ambulance naar Gasthuisberg gebracht. Na observatie werd ik ’s anderendaags weer naar het UPC gestuurd. Daar begon mijn voorlaatste dag therapie. En dat terwijl ik niet wist wat ik moest met mijn leven… Toen ik terug thuis was zag mijn man dat ik zo niet thuis kon blijven en ik werd naar Duffel gebracht. Ik stond daar op de wachtlijst om weer DGT te volgen, naast nog andere therapieën. Dit zou in dagtherapie gebeuren. In een gesprek met de nieuwe psychiater werd echter beslist dat ik eerst naar de gesloten afdeling zou gaan tot de zwarte gedachten weg zouden zijn en mijn slaap in orde zou zijn. Dit duurde drie weken. Daarna verhuisde ik naar de afdeling Spinnaker 2 waar ik een heel intensieve therapie kreeg. Na veel gesprekken en na enkele maanden therapie werd er beslist om het ontslag te plannen en te beginnen werken rond traumatherapie. Bij een nieuwe ambulante DGT-therapeute volgde ik heel intense gesprekken. Ik ging er voor een langere periode heen. Ik ben blij dat ik haar heb. Omdat ik nog niet naar Sonar kon, en ik een daginvulling nodig had, ging ik naar Sint-Annendael in Diest. Dit was dagtherapie en zo was ik iedere avond en elk weekend thuis. Dit was aangenaam voor mijn zoontje en mijn man, na al die maanden opname. Hier werd nieuwe diagnostiek gedaan. Na een heel parcours met vallen en opstaan is er nu bij mij ADD en autisme geconstateerd – wat ik in feite in Kortenberg reeds zo vaak gezegd had. Sindsdien werd de medicatie aangepast en ben ik helemaal opgeknapt. Ik voel me heel goed sinds mei 2019, heb weer veel dromen en doelen en zie het leven zitten.

We zijn vóór ik startte in Diest ook verhuisd naar onze nieuwbouwwoning in Bekkevoort. Het is hier zeer aangenaam wonen en ik voel me er ook beter dan in onze vorige woonst. Ik ondernam stappen om mijn familienaam te wijzigen naar mijn mama’s naam. Ik moest nog enkele maanden wachten op de toekenning. Intussen startte ik op één juli ook weer bij Sonar. In september vond ik een vrijwilligersjob in het rusthuis vlakbij mij thuis, waar ik animatie doe. Ze kennen me daar ondertussen goed. Ik wou graag een opleiding volgen voor animator in de bejaardenzorg, maar tijdens de infosessie vernam ik dat de meeste vakken psychologievakken zijn en dat was voor mij no-go. Ik heb nog opnames gehad, telkens nadat ik mijn vader ergens tegenkwam en ik daar niet op voorbereid was. Ik kwam steeds terecht in Sint-Annendael in Diest, waar ik nu een heel goede vertrouwensband heb met mijn psychiater. Na een tweede opname die opnieuw volgde op een contact met mijn vader, werd er opnieuw gesproken over DGT. In februari 2020 ben in dagbehandeling gegaan in het UPC in Kortenberg. Het voelde als derde keer goede keer. Ik heb heel veel aan mijn eigen coach die daar werkt. Intussen heb ik de behandeling afgemaakt. Het was niet gemakkelijk want tijdens deze therapie heb ik nog tweemaal een opname nodig gehad omdat het soms te veel was in mijn hoofd.

In februari 2021 kreeg ik groot nieuws! Mijn familienaam is officieel veranderd. Ik draag nu met trots de naam van mijn mama en ik kan dat zware, dikke boek nu eindelijk sluiten en ergens achter een muurtje wegstoppen. Het voelt als een nieuwe start.

 

Mijn toekomst ziet er dus heel goed uit.

Ik begin te verlangen naar een tweede kindje, maar mijn psychiater raadt me aan contact op te nemen met een psychiater die gespecialiseerd is in perinatale psychiatrie. Ik heb mooie vooruitzichten hiermee. We zijn er nog niet maar ik hoop dat het vervolg van het verhaal mag zijn dat er een tweede kindje komt. Mijn toekomst ziet er dus heel goed uit. De dagen in het rusthuis gaan uitgebreid worden. Ik volg verder DGT bij mijn therapeut. Ik sta op een wachtlijst voor EMDR. Ik hoop dat corona snel voorbij is zodat ik weer kan gaan sporten en ik het roken kan laten, een slechte gewoonte die ik heb aangekweekt in de psychiatrie sinds augustus 2018 en waarmee ik volledig ben gestopt sinds januari 2021. Ik heb een mooie tattoo laten plaatsen als motivatie waarop ik heel fier ben. Ik heb een heel hechte vriendengroep en een familie die me kennen met mijn kwaliteiten en gebreken. Mijn passies blijven evolueren. Ik ben heel graag creatief bezig en muziek boeit me enorm, in het bijzonder Coldplay. Ik ben ook klaar voor een vast contract.

Ik voel me goed in mijn situatie, ook al wou ik dat dit alles nooit gebeurd was. Daar heb je echter geen controle over. Zolang je maar meer wit dan zwart ziet en je de zon kan blijven zien, al verdwijnt ze soms achter de wolken.

 

                                                                                           

Zolang je maar meer wit dan zwart ziet en je de zon kan blijven zien, al verdwijnt ze soms achter de wolken.