
Els
Als psycholoog help ik mensen die worstelen met zichzelf en het leven. Zelf heb ik dat ook gedaan, geworsteld met mezelf en het leven. Het is een hele zoektocht geweest om die twee perspectieven te integreren: hoe kan ik, Els, een 'goed genoeg' hulpverlener zijn, als ik tegelijk zelf zo'n kwetsuren heb? Ben ik dan de enige die zo worstelt, mag erover gesproken worden? Of word ik dan opzij geschoven en als 'werkonbekwaam' ingeschat? In de herstelvisie vond ik een houvast om te leren hoe die kwetsuren misschien wel juist tot een kracht, een extra bron van 'verstaan' of zelfs een 'handelskenmerk' konden worden.
Door het delen van mijn herstelverhaal wil ik anderen inspireren. Ik wil mensen aanmoedigen om te onderzoeken hoe ze hun eigen ervaringen meer ruimte en bestaansrecht kunnen geven. Het is maar pas door de wonden bloot te leggen en er 'lucht' aan te geven, dat ze kunnen herstellen. Als we van onze cliënten verwachten dat ze de moeilijke weg van herstel aangaan, dan moeten we zelf minstens zo moedig durven zijn. Dat doen we niet door te zwijgen, maar door te spreken. Daar probeer ik zelf een voorbeeld in te zijn.
Hulpverlener in de knoop
'Wat zou er gebeuren als ik hier nu naar beneden spring? Misschien breek ik gewoon een been. Misschien ga ik dood. Maar zou het een verschil maken?' Een jaar of acht zal ik geweest zijn, toen ik mezelf die vragen voor het eerst stelde. Er was ruzie geweest thuis en ik was erg boos naar buiten gegaan. Plaats voor mijn gevoelens was er niet. Mijn moeder had op dat moment haar handen vol met twee kleine peuters en wellicht kon ze mijn verontwaardiging er op dat moment echt niet meer bij hebben. Dit moment staat in mijn geheugen gegrift als het eerste duidelijke besef dat er ‘iets niet klopte’ bij ons thuis. Als je het me had gevraagd, zou ik het niet hebben kunnen uitleggen. Maar ik voelde me oneerlijk behandeld, omdat er geen ruimte was voor mijn beleving. Meer nog, ik kreeg te horen dat ik niets te klagen had, dat ik geen reden had om me verongelijkt te voelen. In vergelijking met de moeilijkheden die mijn moeder ervaarde, zal dat ook wel zo geweest zijn. Maar ik voelde me diep eenzaam in mezelf. Die dag kwam ik ook tot het besef: 'Als ik nu spring, is het allemaal voor niks geweest. Het zal geen verschil maken. Het leven van mensen zal verder gaan en ik stop gewoon met bestaan. Maar ik wil een verschil maken. Ik wil hieruit losbreken.'
Pas tijdens een intensief therapieproces vijftien jaar later kon ik beginnen met het ontrafelen van wat er met me aan de hand was. Eerst ging dat heel schoorvoetend, met mondjesmaat en vooral ook met veel stiltes, want ik wist niet hoe te vertellen over datgene wat er binnenin allemaal zat te wroeten. Niet onlogisch als je geen taal hebt geleerd om over je eigen gevoelens te praten, en je vooral afgestemd was op de noden en behoeften van anderen. Aanvoelen van sferen en humeur was mijn overlevingsreflex geworden, in een wereld die onvoorspelbaar was en met momenten bedreigend aanvoelde.
Waar ik aan leed - en met momenten nog aan lijd - is geen diagnose, maar iets dat onderdeel was van mijn leven.
Ik leed onder de eenzaamheid, het me ‘anders’ voelen, het mezelf niet durven tonen en de onzekerheid die daaruit voortvloeide. Hoe leg je immers uit dat er thuis geroepen werd en er geweld was, als je de volgende ochtend wel weer gewoon op school moest opdagen om toetsen te maken en ‘normaal’ te functioneren? Ik leefde vaak op automatische piloot en besefte dat zelf niet. Het was wat je hoorde te doen. Het was mijn ‘normaal’.
Als prille twintiger begon ik te merken dat ik vastliep in faalangst, onzekerheid en perfectionisme. Ik liep stage op een sociale dienst en wou dat echt goed doen. Tegelijkertijd bleven het thuis spannende tijden. Slapen lukte nauwelijks meer. Ik was de beste in het bedenken van allerlei rampscenario’s. Zo bang was ik, om niet te voldoen, om anderen teleur te stellen, om niet ‘het goede’ te kunnen doen of ‘goed genoeg’ te zijn. Een wandelend stereotype van een people pleaser, dat was ik. Opkomen voor je eigen mening werd als kind afgestraft, dus ik leerde gehoorzamen en vooral zo onopvallend mogelijk in het gareel te leven. Dit gaf me vaak een gevoel van zinloosheid, want waarom zou je willen leven als je zo lijdt, als je niet weet waartoe dit alles leidt, wat je meerwaarde kan zijn op een aardkloot waar (toen nog) zes miljard mensen rondlopen? Dit alles leidde uiteindelijk tot een eetstoornis en tot periodes van wanhoop, somberheid en angsten. De eetstoornis gaf me een manier om met de bedreigingen, de onzekerheid en de machteloosheid om te gaan. Want wat er in mijn lijf kwam en wat er op de weegschaal stond, daar had ik wel controle over.
Ik leefde afgesneden van mijn gevoel, en was met momenten niet in staat om écht contact te maken met anderen.
Als ik terugkijk, dan zie ik een kind dat opgroeide in een context die haar onzekerheid en perfectionisme heeft gevoed. Het was niet veilig om er mezelf te zijn en ik leerde al vroeg te zorgen voor anderen (parentificatie). Hoewel ik ook graag gezien werd door mijn ouders en leeftijdsgenoten, voelde ik me vaak opgesloten in m’n eigen hoofd. Ik leefde afgesneden van mijn gevoel, en was met momenten niet in staat om écht contact te maken met anderen. Daarnaast zie ik ook wat mij wellicht gered heeft van totale decompensatie. Zo was ik best een intelligent kind, dat al snel en vlot kon lezen. Ik had vrienden, zat op een kleine school met steunende leerkrachten, had de kans om naar de muziekschool en bibliotheek te gaan en vond daar mijn ‘veilige eilandjes’. Plekken om even te vluchten van de werkelijkheid. Vele boeken werden in snel tempo verslonden. Ik kon er zo van genieten om op te gaan in een andere realiteit. Soms vond ik herkenning in boeken over kindermishandeling, maar daar durfde ik nooit over te spreken. Het meest ironische was misschien wel dat er een antennepost van een centrum voor kindermishandeling in onze straat was. Hoe vaak ben ik daar niet voorbij gewandeld, terwijl ik me afvroeg wat er zou gebeuren als ik toch een keer durfde aanbellen. 'Waarschijnlijk vinden ze dat ik me aanstel. Er zijn zoveel kinderen die het veel erger hebben dan ik,' sprak ik mezelf dan streng toe. En dus bleef ik zwijgen en doorgaan. Omdat dat mijn ‘normaal’ was.
Soms vragen mensen me wel eens of er ooit een kantelpunt is gekomen. Een moment waarop ik voelde dat ik wou herstellen? Voor mij is dat niet zo gegaan. Het waren gewoon heel veel kleine momenten van inzicht en van een ‘felt shift’: je voelt plots dat er iets ‘klikt’, alsof er iets ‘heel’ gemaakt wordt, of alsof er een puzzelstuk ‘klikt’ in het geheel waardoor je voelt dat er iets ‘klopt’. Voor mij waren dat momenten waarop ik me gewaardeerd en graag gezien voelde door mijn partner. Of het voelen dat je een richting hebt gevonden in het leven die bij je past, waar je toevallig ook goed in blijkt te zijn, en waaruit je voldoening haalt. Voor mij was dat bijvoorbeeld het geval toen ik aan mijn stage als psycholoog begon. Ik had al een opleiding als sociaal werker gehad en wist wel hoe je een gesprek moest voeren. Al snel kreeg ik het vertrouwen van de collega’s om zelfstandig aan de slag te gaan. Ik groeide in zelfvertrouwen en durfde meer dan ooit tonen dat ik wel wat in mijn mars had. Nu ik er zo over nadenk, zie ik als eerste signalen van herstel misschien zelfs het af en toe in opstand durven komen tegen mijn moeder. Het was een gezond stuk in mezelf dat niet langer wou meegaan in de psychische manipulaties. Al moet ik er ook bij zeggen dat de opstand vaak woede uitlokte en me terug in mijn kot duwde.
Ik leerde met een nieuwe bril naar mezelf kijken.
Verder heb ik het geluk gehad om een geduldige psychotherapeute te vinden. Ik kwam er terecht via de ombudsman van de opleiding. Hij wist dat er moeilijkheden thuis waren en na een telefoongesprek met mijn moeder, stelde hij me de vraag of ik eens zou willen spreken met iemand, een therapeute. Na een paar weken en heel wat innerlijke monologen, belde ik uiteindelijk iemand op. De zinnen die ik op het antwoordapparaat wou inspreken, had ik al honderd keer geoefend. Het voelde alsof ik iets fouts deed, terwijl alles in me verlangde naar een plek om op verhaal te komen, om eindelijk te mogen spreken over alles wat ik zo lang vanbinnen had weggeborgen. Die therapeute hielp me doorheen vele jaren met het verwerken van pijnlijke ervaringen. Ze liet me voelen dat mijn noden en behoeften er ook mochten zijn. Ik leerde relativeren en milder zijn voor mezelf. Het idee dat iemand je gewoon kan waarderen als mens, met je sterktes en vooral ook met je kleine kanten, dat heb ik echt moeten leren. Het was eigenlijk onvoorstelbaar om te beseffen dat een ander zoveel milder over je kan denken dan hoe ik naar mezelf keek. Het was alsof ik door een andere bril moest leren kijken. Wie zelf een bril op sterkte heeft, weet wel hoe het voelt als je sterkere glazen nodig hebt: je krijgt hoofdpijn van de nieuwe glazen, omdat je hersenen nog niet aangepast zijn aan het nieuwe zicht. Zo voelde het ook als ik op een andere manier naar mezelf en mijn verhaal leerde kijken.
Tijdens mijn herstelperiode kwam ik via een forum in contact met lotgenoten, andere mensen die worstelden met een eetstoornis en met het leven. Waar ik lange tijd twijfelde of mijn problemen wel zo ernstig waren, vond ik bij hen toch veel herkenning. Ze moedigden me aan om in therapie te spreken over de dingen die ik moeilijk vond. Door hun vragen stond ik stil bij wat de functie van niet-eten of eetbuien was. Ze vertelden over hun eigen inzichten en dat hielp mij ook weer verder. Zo begreep ik bijvoorbeeld steeds beter hoe het braken na een eetbui een voor mij ‘legitieme’ manier was om alle woede en verdriet uit mijn lijf te krijgen. Het deed me ook beseffen dat er andere manieren mogelijk waren, en dat praten en voelen daar wel echt voor nodig waren. Om die patronen te doorbreken, is er wel veel tijd nodig geweest. Het gaat eerder over jaren dan over maanden, in mijn geval.
Lange tijd heb ik met zelfstigma geworsteld. Kon ik wel een goede hulpverlener zijn als ik zelf nog zo in de knoop zat?
Was het niet heel erg hypocriet om naar anderen te luisteren, om hen te motiveren om stil te staan bij wat ze ervaarden en eens iets anders uit te proberen, maar er dan zelf niet in te lukken om mezelf ‘onder controle te houden’? Toen mijn relatie een paar jaar geleden op de klippen liep, kwamen de golven van zelfverwijt en zelftwijfel in alle hevigheid opzetten. Er was plots geen veilige haven meer om me in terug te trekken. Ik was niet in staat gebleken om aan de verwachtingen en noden van mijn partner te voldoen, wat me compleet ontredderde. De interne criticus werd een duivelse tiran, die me deed geloven dat ik nergens voor deugde. Als ik niet in staat was om met aandacht voor de ander te leven, als ik dan echt zo egocentrisch was als ik te horen kreeg, dan moest ik wel een heel slecht mens zijn. Op dat moment woonde ik in een hoog appartementsgebouw. Dezelfde gedachten als toen ik acht was, begonnen door mijn hoofd te spoken. Dit keer waren er echter een psychotherapeute, een huisarts en een psychiater die me vroegen hoe het met me ging. Toevallig echter zouden zij allemaal een week afwezig zijn. Dat vooruitzicht bracht me helemaal in paniek. Toen ik bij de psychiater op afspraak kwam, merkte ze dat het me niet meer lukte om rustig na te denken en logische zinnen te formuleren. Ze vroeg of ze een opname voor me mocht regelen. En zo werd ik de volgende dag voor het eerst in mijn leven opgenomen, op een crisisafdeling. De eerste dagen liet ik me meedeinen op het ritme van de afdeling. Maar het bleek een hele uitdaging om alleen maar ‘patiënt’ te zijn. Ik volgde er sessies die ik zelf had kunnen geven. Daar zit je dan, als psycholoog, te denken dat je de sessie misschien toch wat anders zou aanpakken. Na tien dagen besloot ik terug naar huis te gaan. De rust in mijn hoofd was gelukkig wel teruggekeerd door de structuur, het beter slapen, de medicatie en de veiligheid van de afdeling. Na de opname was ik bang dat mensen me als een incompetente hulpverlener zouden beschouwen. Verrassend genoeg bleef het oordeel van anderen achterwege. Integendeel, mensen vonden het sterk en verantwoordelijk dat ik voor opname had durven kiezen.
Na het afstuderen als psycholoog begon ik te werken met mensen met een eetstoornis en verwante problemen. Het hield me alert voor mijn eigen valkuilen. De verhalen waren herkenbaar, wat me in staat stelde om me makkelijk te verbinden met anderen. Wat daarbij zeker geholpen heeft, is dat ik er bewust voor koos om te vertellen over eigen ervaringen. Gelukkig werkte ik in een context waar dat als een sterkte werd beschouwd. Ik wist zelf hoe belangrijk het was om een mens tegenover je te hebben die authentiek kan zijn, die net zo goed wel eens worstelt, en die daarnaast hoopvol en positief blijft. Het was zeker in die beginjaren een zoeken naar een goede balans tussen ervaringen delen en professioneel aanwezig blijven. Hoe ouder ik werd, hoe minder ik de behoefte voelde om veel over mezelf te vertellen. Nu zet ik mijn ervaringen nog in, maar volgens mij ben ik beter geworden in het afstemmen op het verhaal van de persoon die voor me zit. Het gaat immers niet over mij, maar over wat mijn persoonlijke ervaring kan betekenen voor die ander.
Soms vergeet ik wel eens hoe bang en onzeker ik zelf was, toen ik voor het eerst begon te spreken en schrijven over de moeilijkheden die ik ervaarde.
Intussen vind ik het zo vanzelfsprekend om open te spreken over mijn eigen kwetsbaarheid. Het maakt me vrij. En het geeft ook vrijheid, zowel aan mezelf, als aan de ander: spreken over kwetsbaarheid is nu iets ‘normaals’. Het geeft openheid om vragen te stellen, om mee te zoeken, om samen te worstelen…
Ik voel dat er hoe langer hoe meer afstand komt tussen hoe het nu met me gaat en hoe het ooit was. Die afstand is voor mij een teken van herstel: ik kan me nog herinneren hoe ik me vroeger in bepaalde situaties voelde, zonder dat ik helemaal in de emotie vast kom te zitten.
Ik kon uiteindelijk losbreken uit mijn verhaal; ik schrijf nu zelf een nieuw vervolg.
Het afgelopen jaar besloot ik om mijn psychotherapietraject af te ronden. Twintig jaar na dat eerste bewuste telefoontje. Of dit een definitief einde is, weet ik niet. Misschien komt er ooit toch weer een moment waarop ik terug wil gaan. Wat ik wél weet, is dat ik niet meer bepaald word door angsten, door een behoefte om mezelf te vergelijken met anderen, door nachtmerries of pieker-gedachten. Vroeger was ik bang dat ik altijd overgeleverd zou blijven aan mijn patronen van wantrouwen, van altijd maar zorgen voor de ander, van mezelf wegcijferen en geen nee kunnen zeggen. Dat er nog periodes van depressieve stemming kunnen komen, daar ben ik me van bewust. Maar intussen zijn de alarmsignalen waar ik op moet letten wel duidelijk geworden. Als ik oververmoeid raak, geen zin meer heb om af te spreken met mensen en te veel begin te piekeren, dan is het tijd om te onderzoeken wat er aan de hand is. Vandaag kan ik zeggen dat ik een gevoel van vrijheid ervaar. Ik kon uiteindelijk losbreken uit mijn verhaal; ik schrijf nu zelf een nieuw vervolg.