Lana - Van overleven naar leven

 

Lana kwam naar onze cursus herstelverhalen. Een jonge vrouw van zesentwintig jaar, met een zware rugzak, maar tegelijkertijd met een onverwoestbare drang om te leven.

 

3 februari 2012. De koudste dag van het jaar, voor velen de dag van de eerste sneeuw. Voor mij de dag waarop mijn wereld veranderde. Eden, een goede vriend, werd voor mijn ogen aangereden. De dag ervoor hadden we ruzie gehad en een vriendin zei dat hij mocht doodvallen. Daarop zei ik: ‘Nee, dat is te erg. Een coma is beter.’ Een zin die me voor altijd zou bijblijven, want de dag erna lag hij in coma. Alsof ik het had voorspeld, alsof het mijn schuld was.

Maar als ik eerlijk ben, was ik daarvoor al lang niet oké. Sinds ik me kan herinneren, droeg ik een zwaarte in mij die ik niet kon benoemen. In het eerste leerjaar moesten we vertellen wat onze favoriete bezigheid was. Ik zei: ‘Slapen’. Omdat ik dan niets hoefde te voelen, niets hoefde te begrijpen. Slapen was het enige moment dat mijn hoofd stil was.
Rond diezelfde periode sneed ik me per ongeluk aan een blad papier. Het deed pijn. Maar het was een andere pijn dan wat er binnenin zat. Die pijn kon ik plaatsen. En dus werd ik onvoorzichtig. Als ik maar iets kon voelen dat tastbaar was, was het draaglijker.
Die onvoorzichtigheid werd extremer. Op vijfjarige leeftijd had ik mijn eerste bijna-doodervaring. Uiteindelijk raadde mijn school mijn ouders aan om mij te laten onderzoeken. Hieruit kwam dat ik therapie nodig had, maar dat gebeurde nooit. Mijn ouders vonden dat ik een gelukkig kind was, al waren er alle signalen dat ik dit niet was. In plaats daarvan stuurden ze me naar een nieuwe school. Op die nieuwe school startte het pesten.

Thuis was het niet veiliger. Er was fysieke mishandeling, emotionele vernedering en seksueel misbruik. Omdat dat mijn normaal was, begreep ik niet dat het misbruik was wanneer mijn pesters mij begonnen aan te randen. Ze vertelden me letterlijk: ‘Je mag blij zijn dat wij dit doen, want niemand zou jou ooit willen’. En ik geloofde hen. Ik dacht dat ze me een gunst deden, dat dit liefde en aandacht was. Dat ik nooit beter kon krijgen. Ik onderging alles en het werd steeds extremer. Er kwam pas een einde aan toen ik naar het eerste middelbaar ging. Toen werd het leven eindelijk beter. Ik had vrienden, ook al was één iemand gewelddadig naar me toe. Maar geweld voelde vertrouwd.

En dan kwam 3 februari 2012, er veranderde iets in mij. Mijn passieve doodswens werd actief. Ik begon mezelf met opzet te verwonden. ’s Avonds stuurde ik depressieve berichten naar vrienden over hoe graag ik wilde verdwijnen, dood zijn. Toen ouders van een vriendin die berichten lazen, werden school en mijn ouders ingelicht. Ik loog dat ik gehackt was. Iedereen geloofde het en er gebeurde niets.
Ik voelde me eenzaam. Ik had mensen rond mij, maar voelde me toch alleen. Mijn zelfverwonding bestond vooral uit het willen laten zien dat het niet ging met mij.

Daarbovenop worstelde ik met mijn geaardheid. Ik werd verliefd op een vrouw. Intens, zoiets had ik nog nooit gevoeld. En al helemaal niet voor een jongen. Na maanden van verwarring vertelde ik mijn vrienden dat ik biseksueel was, in de hoop dat dat meer geaccepteerd zou worden dan het etiket ‘lesbienne’.  Het werd doorverteld en ik werd opnieuw gepest.

Leerkrachten probeerden met mij te praten, maar ik wees hen af. Tot er een was die door mijn muren heen brak. Ze zei vlak voor de zomervakantie dat ik altijd welkom was bij haar, ook als ze mij het volgende schooljaar geen les meer zou geven. In de zomervakantie typte ik een mail waarin alles stond wat ik nooit had durven zeggen over hoe ik me voelde. Maar ik verzond hem niet en twee weken later werd ze vermoord teruggevonden.
Opnieuw voelde het alsof ik ongeluk bracht. Alsof mensen stierven wanneer ik hen vertrouwde. Nabijheid was gevaarlijk in mijn ogen.

Later probeerde ik een andere leerkracht in vertrouwen te nemen. Ik hechtte mij intens. Misschien ongezond intens. Maar voor mij was zij veiligheid. Het werd een dynamiek van aantrekken en afstoten. Ik leefde van haar aandacht en kwijnde weg wanneer ze me weer afstootte. Ik kreeg paniekaanvallen omdat ik niet wist wat ik met mijn gevoelens moest doen.
Toen ik probeerde andere leerkrachten te vertrouwen, voelde dat ook niet veilig. Mijn klastitularis in het vierde middelbaar voelde wel veilig. Hij maakte constant seksuele grapjes, raakte mensen aan en nodigde iedereen uit bij hem thuis. Hij was wat ik kende, dat voelde vertrouwd. Tot hij afwezig raakte en er een leerkracht mij aansprak met de vraag of ik slachtoffer was van seksueel misbruik. Ik zei nee, want dat was het allemaal toch niet? Een maand later kwam naar buiten dat er een rechtszaak tegen hem gaande was, waarvan hij werd beschuldigd van pedofilie. Toen begon ik te begrijpen dat wat mij was overkomen geen normaal gedrag was. Van niemand niet. Van hem niet, van mijn pesters niet en vooral van mijn vader niet.

Maar therapie bleef uit. Ik moest sterk zijn en droeg alles alleen. Mijn vader was ernstig ziek. Sinds ik me kan herinneren was hij altijd ziek. Verschillende kankers en aandoeningen waardoor hij vaak in het ziekenhuis was. Op mijn vijftiende had hij longkanker en mijn moeder zei ooit dat ze liever had dat ik longkanker had dan hij. Want ik betekende niets.
Een jaar later stierf mijn vader thuis voor mijn ogen. Ik voelde opluchting, maar voelde me ook schuldig dat ik dit voelde. Niemand zou dit toch mogen voelen over zijn vader? Maar ik wist niet goed hoe ik moest omgaan met mijn emoties. Niemand had mij dit ooit geleerd.

Uiteindelijk had het CLB mijn ma kunnen overtuigen om hulp in te schakelen. Na een wachtlijst van langer dan een jaar startte ik mijn eerste therapie op bij een psycholoog. Algauw stuurde ze me door naar de psychiater voor een diagnose. Posttraumatische stressstoornis. EMDR hielp voor enkele enkelvoudige trauma’s, maar het seksueel misbruik was complexer. Dieper. Zwaarder. Alles kwam open te liggen. Mijn systeem raakte overspoeld.
Twee weken na mijn achttiende verjaardag stortte ik in. Mijn ma dreigde altijd dat ze me uit huis zou gooien als ik achttien zou zijn. Ik kon de angst en het trauma niet meer dragen en deed mijn eerste ernstige suïcidepoging en werd opgenomen op een PAAZ.
Die eerste opname voelde als ademruimte. Drie weken waarin ik me bijna een ander mens voelde. Ik werd gezien en gehoord. Tot ik na ontslag bij een medepatiënt thuis terechtkwam en hij mij dronken voerde, manipuleerde en dwong tot seks. De veiligheid die ik had gevonden, werd opnieuw verbrijzeld.
Ik moest weg uit Deinze en alles daaromheen. Dus ik ging weg, naar Leuven.

Leuven voelde als een nieuw begin. Ik studeerde sociale readaptatiewetenschappen, een richting die me nauw aan het hart lag. Ik had agorafobie, maar ging toch tachtig kilometer van huis op kot. Voor het eerst werd ik niet gepest. Voor het eerst had ik échte vrienden. Voor het eerst voelde ik vrijheid. Op het einde van mijn eerste jaar stopte ik de therapie, want het voelde alsof ik die niet meer nodig had. Zo dacht ik, maar het deed me steeds slechter voelen.
Tijdens mijn tweedejaarsstage moest ik terug naar Deinze omdat mijn stage daar was. Terug naar de emotionele mishandeling. Op stage zag ik onveilig gedrag tegenover kinderen, maar ik durfde niets te zeggen. Ik brak en stopte met stage. Ik mocht dit doen van school op voorwaarde dat ik hulp zocht. Maar corona brak uit en er kwam nooit hulp. Daarbovenop werkte ik in een woonzorgcentrum dat hard was geraakt door corona. Elke kamer die ik binnenstapte, kon leeg zijn. Iemand kon verlegd zijn naar de covid-afdeling, naar het ziekenhuis of overleden. Ik voelde diepe rouw die ik niet kon uiten, want ik was ‘maar een jobstudent’.

Toch bleef ik doorgaan. Ik vroeg impulsief voor mijn derdejaarstage een buitenlandse stage in Oostenrijk aan. Ik werd aanvaard en in september 2021 vertrok ik.
Oostenrijk was vrijheid, passie en persoonlijke groei. Ik vond er wat ik echt wou doen qua werk, namelijk straathoekwerk.
Tot ik opnieuw geconfronteerd werd met misbruik. Er was daar een cultuur van drinken en toen ik dronken was had ik een naakfoto gemaakt en verstuurd, waarna ik geblackmailed werd. Hij dwong me meermaals tot seks. Het stopte pas toen hij in een vriendin van mij een nieuw slachtoffer vond. Hij voerde haar dronken en nam haar mee naar de nachtclub. We zijn achter hen gereden en in de nachtclub heb ik die vriendin alles verteld. We vluchtten samen van hem, maar hij achtervolgde ons. Tot we op een veldje kwamen, helemaal afgelegen en ook weg van hem. Daar had ik mijn eerste dissociatie.

En dan, 9 februari 2022: een vriendin en kotgenoot pleegde zelfmoord op kot. Een dag later hoorde ik het nieuws via mail, terwijl ik nog op Erasmus was. Vier dagen later stond ik op haar begrafenis. Ik moest de vrolijke verhalen brengen van mijn Erasmus, maar ik stond helemaal alleen. Ik had het gevoel dat ik haar downfall nooit heb meegemaakt dus geen recht had om te rouwen.
Ik begon opnieuw te automutileren. Ik begon te drinken. In augustus 2022, na opnieuw een verkrachting en ondraaglijke stress van mijn werk en mijn bachelorproef, deed ik opnieuw een suïcidepoging. Dat was het begin van vier lange jaren in de geestelijke gezondheidszorg.

Mijn eerste opname duurde acht weken.
In plaats van veiligheid vond ik pesterijen. Gelukkig stonden enkele medepatiënten aan mijn kant, maar naar mijn gevoel greep de begeleiding niet in. In een periode waarin ik al extreem kwetsbaar was, voelde ik me opnieuw onveilig.

De tweede opname duurde meer dan zes maanden. Ik werd ‘te intens’ genoemd door medepatiënten én hulpverleners. Ik begon steeds vaker te dissociëren. Wat opnieuw stootte op onbegrip van medepatiënten, ik nam hun tijd in. Verpleging liet me vaak in dissociatie zitten in plaats van mij eruit te halen. Ik schreeuwde om hulp, maar kreeg deze niet altijd. Nachtverpleging begreep mij, maar stond niet op eenzelfde lijn met de dagverpleging. Toen de nachtverpleging mijn terrasdeur sloot voor mijn veiligheid, deed de dagverpleging  deze gewoon weer open. ‘Je bent toch helemaal geen gevaar voor jezelf?’ Alsof ik voelde dat ik moest bewijzen hoe slecht het ging, deed ik opnieuw een poging. Mijn vrienden zagen me helemaal aftakelen en toen ik op ontslag ging, kon ik helemaal niet meer functioneren.

Die tweede opname wou dat ik in revalidatie ging. Maar dat lukte mij helemaal niet. We leerden over herstel en terwijl iedereen zich in de voorlaatste of laatste fase bevond, zat ik te spartelen in de eerste fase. Na een maand vol dagelijkse crashes volgde er een crisisopname van een maand. Voor het eerst vond ik écht stabilisatie en hierna was ik een compleet nieuwe persoon.

Daarop volgde dagtherapie traumatherapie. Dit was heel intens. Op een gegeven moment had ik mijn proclamatie, maar dit bracht heel veel herinneringen terug. Ik deed de dag erna een suïcidepoging. Daarop stuurde dagtherapie mij opnieuw naar de crisisafdeling, maar ook daar deed ik opnieuw een suïcidepoging. Dagtherapie besloot dat ik niet meer mocht terugkomen, want ik was te onstabiel. Ondertussen was de crisisafdeling die ooit een veilige plaats was, helemaal niet meer veilig. Ik deed de ene poging na de andere en verbleef er vijf maanden.
De diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis kwam. Dat was het enige dat ze echt voor me hadden gedaan. Op gesprekken kon ik niet rekenen. Ik werd verdoofd met medicatie waardoor ik het grootste deel van de dag sliep. Ze probeerden me aan te melden op Dialectische Gedrags Therapie-afdelingen, maar ik werd op twee geweigerd. Uiteindelijk kon ik toch bij een derde opstarten.

DGT werd een keerpunt. Voor het eerst werd mijn intensiteit niet veroordeeld. Ik leerde vaardigheden. Het ging niet plots goed, maar het werd draaglijker. Er waren nog terugvallen, in automutilatie en drinken. Ik had nog heel veel last van suicidegedachten. In oktober 2024 kreeg ik te horen dat mijn psycholoog een maand afwezig zou zijn. Ik raakte in paniek. Niet was ik alleen extreem gehecht aan haar, maar mijn coach van DGT verwees ook steeds naar haar als oplossing voor mijn donkere gedachten. Ik wist niet wat ik een maand moest doen zonder haar, raakte opnieuw in dissociatie en deed opnieuw een suicidepoging. Dit was de heftigste ooit en ik was bijna mijn leven verloren. Tot op de dag van vandaag heb ik nog een trauma aan deze gebeurtenis. Maar ook wat erna volgde: een slecht werkend geheugen, tijdelijke hartritmestoornissen en heel slecht kunnen praten. Maar ook het verlies van vrienden, familie, uit huis gezet worden.
Ik ging heel slecht om met de hele situatie. Het drinken liep volledig uit de hand, de automutilatie werd opnieuw erger. Van mijn therapie kreeg ik ook helemaal geen steun. Ik raakte mijn vertrouwen kwijt in het hele systeem. Om niet te spreken over alle verkeerde dingen die mijn coach gezegd en gedaan had. Na een onenigheid met een medepatiënt kwam ik een maand niet meer naar therapie en lag ik eruit.

En toen, geheel onverwacht, begon mijn leven. Ik begon mijn vaardigheden veel beter toe te passen sinds ik gestopt was met therapie. Algauw startte ik dankzij GTB ook een stage in een kattencafé. Dit bracht onverwachte heling. Er werd in mij geloofd. Ik groeide. Ik bloeide open. Het was therapie op een manier dat geen enkele therapie mij herstel kon geven. Ik was gewoon iemand, mijn rugzak deed er niet toe. En dat was genoeg.

Maar herstel is geen rechte lijn. Na het stoppen van de stage, herviel ik opnieuw. Langzaam werd het opnieuw erger en gleed ik steeds meer en meer af. Tot ik opnieuw in crisisopname ging voor vijftien dagen. Ik was een week thuis en er volgde opnieuw een crisisopname van een week. Deze was zo een slechte ervaring dat ik helemaal niet meer terug wou. Ik spartelde verder, maar het lukte me helemaal niet meer. Mijn psycholoog probeerde een maand lang mij aan te moedigen om naar spoed te gaan voor een opname. Uiteindelijk deed ik dit. En daar werd er mij verteld dat ik wegvluchtte in opnames en helemaal geen verantwoordelijkheid nam.

Dat moment brak iets open in mij. Ik besefte dat systemen mij konden ondersteunen, maar mij niet konden redden. Dat redding niet buiten mij lag, maar binnenin mij. Ik begon me opnieuw te verdiepen in mijn DGT-vaardigheden en maakte plaats voor constructieve copingmechanismen.

Binnenkort start ik met een nieuwe opname voor DGT. Dat vind ik best spannend, omdat mijn eerdere ervaringen met opnames niet altijd positief waren. Tegelijk kijk ik er ook naar uit, omdat het een kans is om verder aan mezelf te werken, aan mijn emotieregulatie en trauma.
Intussen heb ik mijn stage in het kattencafé succesvol afgerond. Die plek gaf me veel rust en betekenis, en het was fijn om daar weer structuur en vertrouwen in mezelf op te bouwen. Ik blijf stappen zetten, met steun van mijn psycholoog en huisarts. Niet elke dag is goed en mijn nachten zijn nog vaak zwaar. Maar dat is oké, dat is het leven.


Ik durf voorzichtig te dromen, ik heb terug hoop. Na mijn stage en opname wil ik een stage doen in het veld waarin ik gestudeerd heb. Het liefst zou ik daarna als leefgroepbegeleider aan de slag gaan, terwijl ik studeer voor ervaringsdeskundige. Ik wil mensen hoop en kracht geven en er zijn voor mensen, iets wat ik nooit had kunnen ervaren.

Herstel is voor mij geen rechte lijn geweest. Maar herstel is ook geen stijgende grafiek, het is er een met vallen en opstaan.
Wat ik vandaag anders doe is geloven in mezelf. Mezelf positieve dingen toespreken, het accepteren van mijn negatieve emoties en erbij stilstaan in plaats van wegvluchten.  Ik voel nog steeds diep, maar ik ben niet langer bang voor mijn eigen diepte. Ik accepteer mijn gebreken. Ik ben zo lang in gevecht geweest met mezelf, waardoor mijn zenuwstelsel fel reageert en snel schrikt. Ik klamp me nog snel vast aan veiligheid wanneer dit voor het eerst verschijnt. Dat is geen zwakte, maar een teken van een lichaam dat mij al die jaren in leven heeft gehouden.

Ik weet dat verantwoordelijkheid nemen niet betekent dat ik zogezegd wegvlucht in opnames. Het betekent dat ik blijf kiezen voor het leven, zelfs wanneer mijn hoofd fluistert dat verdwijnen makkelijker zou zijn. Het betekent dat ik mijn vaardigheden gebruik, ook wanneer ik ze overboord wil gooien. Dat ik hulp vraag voordat het volledig escaleert en dat ik eerlijk ben. Naar iedereen toe, hulpverleners, vrienden en mezelf.
Mijn donkere gedachten zijn een signaal, het is informatie. Het toont aan dat er ergens iets fout aan het lopen is en dat ik moet ingrijpen. Dit betekent niet dat ik aan het falen ben.

In het kattencafé leerde ik iets belangrijks: herstel gebeurt soms in kleine, alledaagse momenten. De katten die onvoorwaardelijke liefde geven. Maar ook de klanten die aardig zijn, een kleine glimlach, een oprechte ‘Dat is niet erg’ wanneer ik iets verkeerd doe. De collega’s die gewoon blij zijn dat ik er ben. Daar ben ik geen dossier, geen diagnose, geen “’omplexe casus’. Ik ben iemand die koffie maakt, de katten verzorgt en lacht om kleine dingen. En misschien is dat wat mij het meest geneest: gewoon mens mogen zijn.

Ik weet dat er nog moeilijke dagen komen. Dagen waarop het lijkt alsof ik weer bijna in dissociatie ga. Dagen waarop de drang om mezelf pijn te doen of te verdwijnen weer opduikt. Maar zoals ik ooit een quote heb gelezen: ‘Je hebt alle moeilijke dagen overleefd, dus ook dit zal je overleven’.

Ik ben niet langer alleen het meisje met trauma, de opnames, de diagnoses. Ik ben uitgebloeid tot een vrouw die zichzelf stukje bij beetje heropbouwt. En met elke dag dat er voorbij gaat, zijn we dichter bij de zeven jaren waarin de lichaamscellen zich vernieuwen. Cellen waarbij mijn lichaam nooit op niet-liefdevolle manieren is aangeraakt.

Ik ben niet wat mij is aangedaan. Ik ben wat ik, elke dag opnieuw, kies om te worden. Van overleven naar leven.